Huil niet

Huil niet, boompje,
pruil niet boompje
de winter gaat voorbij

lach toch, boompje
dans toch boompje
modder kwel en regen
we konden er toch steeds tegen

Luister boompje
fluister boompje
er komt een liefdespaar voorbij

En mocht je het nog niet weten
of ben je ’t misschien vergeten
dat liefdespaar zijn ik en jij…

Want ik dank al d’ hemelse gewelven
om het prachtcreatuur
dat JÍJ voor me bent

Dag boompje, dag liefje
fijn dat jij alleen
mijn hemelboomgaard bent

Sneeuwklokjes

Tere, bleke kopjes
heffen zich naar het eerste lentelicht.
Wat zijn ze altijd welkom,
blijvende schoonheid in Gods Schepping.

In een nog winters maanlandschap
houden ze zich taai
en weerstaan weer en wind
in al hun broosheid.

Zou het net met hun kwetsbaarheid zijn
dat ze de aandacht blijven trekken?
Ze trotseren de meer uitbundige soortgenoten
en blijven groot in hun eenvoud.

Mensen, zachtmoedig en nederig in hun zijn
doen stilletjes voort met wat vrucht draagt
zingen hierover geen loftrompet
maar vinden vreugde in ’t kleine.

Ook Onze Heiland houdt van het nietige,
van de onbevangenheid van een kind
spelend in het nog prille lentegras
tussen de sneeuwklokjes in Zijn Tuin.